Coffee with My Friend

📖 CEFR Level: A1 | Dutch

Toggle visibility:

I meet my friend at a cafe.

Ik ontmoet mijn vriend in een café.

We sit at a small table.

We zitten aan een klein tafeltje.

I order a hot coffee.

Ik bestel een warme koffie.

My friend orders a cold coffee.

Mijn vriend bestelt een koude koffie.

We talk about our day.

We praten over onze dag.

We laugh a lot.

We lachen veel.

The coffee is very good.

De koffie is erg lekker.

The sun is warm.

De zon is warm.

It is a happy time.

Het is een gelukkige tijd.

We say goodbye and go home.

We nemen afscheid en gaan naar huis.

📚 Vocabulary

meet — to come together with someone
ontmoeten — samenkomen met iemand
friend — a person you like and know well
vriend — een persoon die je leuk vindt en goed kent
cafe — a small restaurant that sells drinks and simple food
café — een klein restaurant dat drankjes en eenvoudig eten verkoopt
sit — to rest on a chair or other place
zitten — rusten op een stoel of andere plaats
table — a piece of furniture with a flat top
tafel — een meubelstuk met een plat bovenblad
order — to ask for food or drink in a restaurant
bestellen — eten of drinken vragen in een restaurant
hot — having a high temperature
warm — een hoge temperatuur hebben
cold — having a low temperature
koud — een lage temperatuur hebben
talk — to say words to someone
praten — woorden tegen iemand zeggen
day — the time when it is light outside
dag — de tijd wanneer het buiten licht is
laugh — to make a happy sound with your voice
lachen — een gelukkig geluid maken met je stem
good — nice, pleasant, or of high quality
lekker/goed — aangenaam, prettig of van hoge kwaliteit
sun — the bright star in the sky that gives us light and heat
zon — de heldere ster aan de hemel die ons licht en warmte geeft
warm — pleasantly hot
warm — aangenaam heet
happy — feeling pleasure or joy
gelukkig — plezier of vreugde voelen
time — a period or moment
tijd — een periode of moment
say — to speak words
zeggen — woorden uitspreken
goodbye — a word you say when you leave someone
afscheid nemen/dag zeggen — een woord dat je zegt wanneer je iemand verlaat
go — to move or travel to a place
gaan — zich verplaatsen of reizen naar een plaats
home — the place where you live
huis/thuis — de plaats waar je woont